3D-Laserscannen in de openbare ruimte

6 maart 2019

Wanneer nuttig en wanneer niet?

Het nut van 3D-scannen is algemeen bekend: het is snel, het is nauwkeurig en het is een techniek die bruikbaar is op een groot aantal locaties en onder zeer uiteenlopende omstandigheden. Toch heeft het 3D-scannen in de civiele wereld slechts voor een deel het traditionele inmeten vervangen. Terecht? BIGnieuws ging hierover in gesprek met landmeter Jeffrey Siegers. 

Door Lambert-Jan Koops

Het nut van 3D-scannen hangt af van het soort terrein, de gewenste output en de vraag of de veiligheid van de landmeters in het geding is.

Jeffrey Siegers is oprichter/eigenaar van Siegers Landmeetkunde, een landmeetkundig ingenieursbureau dat zich met name inzet voor gemeenten, waterschappen en ingenieursbureaus. Gevestigd in het Gelderse Wenum Wiesel voeren de medewerkers van Siegers Landmeetkunde projecten uit in het hele land, waarbij de werkzaamheden uiteenlopen van situatiemetingen en kadastrale metingen tot het maken van digitale terreinmodellen en het in 3D in kaart brengen van de waterbodem. 

Siegers is door de werkzaamheden van het bedrijf goed op de hoogte van de mogelijkheden op het gebied van landmeten. Hij heeft daarbij een genuanceerde en vooral ook praktische kijk op de inzet van 3D-scanners. “Soms is 3D-scannen heel erg handig en in sommige gevallen is het weer totaal overbodig”, zo vat Siegers het samen. “Het hangt heel erg af van het soort terrein, de gewenste output en vooral de vraag of de veiligheid van de landmeters in het geding is bij een traditionele manier van inmeten.”

Irritatie
Als voorbeeld van een project uit de praktijk waarbij 3D-scannen absoluut de beste keuze was, noemt Siegers het inmeten van een provinciale weg. “Een dergelijk traject inmeten op de traditionele manier heeft direct verkeershinder tot gevolg, omdat de weg dan geheel of gedeeltelijk moet worden afgesloten. De bijbehorende vertraging leidt nogal eens tot irritatie bij weggebruikers en dat zorgt weer voor onveilige situaties, omdat er altijd automobilisten zijn die vervolgens veel te hard langs de landmeters rijden of andere gevaarlijke manoeuvres uithalen. Door het traject te 3D-scannen konden we dit allemaal voorkomen. Natuurlijk moesten we na het scannen nog wel de data nabewerken, zo moesten bijvoorbeeld de data van de passerende auto’s worden verwijderd, maar het werk op locatie kon snel en veilig worden gedaan. De opdrachtgever was bovendien ook erg tevreden over het feit dat we de meting hadden uitgevoerd zonder verkeershinder te veroorzaken, dus er zaten veel positieve kanten aan deze werkwijze.”
Voor locaties waar het minder druk is en de veiligheid van de landmeters niet direct in het geding is, is 3D-scannen niet altijd een goede oplossing. Siegers geeft een voorbeeld van een situatie waarin het scannen zelfs een nadeel is. “We hebben recent de scanner eens gebruikt om een maaiveldmodel te maken van een braakliggend terrein. De software voor de nabewerking is daarbij in principe in staat om typische objecten als bomen, gebouwen en lichtmasten te herkennen, maar kan met dicht struikgewas helemaal niet uit de voeten. Braamstruiken en aanverwante begroeiing worden als maaiveld beschouwd en dan ontstaat er dus een onjuist model. Voor dergelijke terreinen is het dan ook veel handiger om ze traditioneel in te meten.

Een drukke rotonde is een typisch voorbeeld van een locatie die het beste in 3D kan worden gescand: dat voorkomt verkeersoverlast en is veel veiliger voor de landmeters.

Nabewerken
Het maken van 3D-scans doen Siegers en zijn medewerkers met een Trimble SX 10. Dit instrument is een zogenaamd Scanning Total Station dat een Total Station en high speed 3D-scanner combineert. Hierdoor kan de SX10 voor zowel conventionele metingen als scanwerkzaamheden worden ingezet. Siegers merkt erbij op dat het apparaat nog zo’n negentig procent van de tijd wordt gebruikt als Total Station. “We gebruiken de scanfunctie zo verstandig mogelijk en dat betekent dat we ook nadenken over de vraag of de winst buiten niet verloren gaat aan extra tijd binnen. De kneep zit hem namelijk in het nabewerken van de scans. Onze opdrachtgevers willen immers geen scan, maar gewoon een model dat bestaat uit AutoCAD-punten en polylijnen, en het is behoorlijk bewerkelijk om een dergelijk model te maken op basis van scandata. Dan is het vaak sneller om traditioneel te meten. Het aanleveren van de ruwe scandata is daarnaast geen optie: de meeste opdrachtgevers kunnen niet goed omgaan met deze bestanden omdat ze zo gigantisch groot zijn. We hebben zelf op ons kantoor watergekoelde computers staan die we gebruiken voor het bewerken van de puntenwolken en dergelijke specialistische hardware is ook echt wel nodig om het een beetje werkbaar te houden.”

Omdat de nabewerking van de puntenwolken altijd nog meer tijd kost dan het 3D-scannen oplevert, valt de keuze dus bijna altijd op traditioneel inmeten, tenzij er dus winst kan worden geboekt op het gebied van veiligheid. Bij sommige opdrachten worden de beide inwintechnieken dan ook naast elkaar gebruikt. “Wanneer we een wat langer tracé moeten inmeten, kiezen we er bijvoorbeeld voor om bijvoorbeeld kruispunten te scannen en de rest van het werk traditioneel in te meten. Zo hebben we bijvoorbeeld de snelfietsroute van de gemeente Amersfoort veilig en vlot ingemeten, waarbij we de opdrachtgever hebben kunnen voorzien van de door hem gewenste 2D DWG’s met polylijnen en hoogtecijfers. In dat project gebruikten we dus het beste van beide meetmethodes. En dat is ook precies het punt dat ik wil maken: 3D-scannen is een heel mooie techniek, maar wie het verstandig wil inzetten, moet per project of zelfs projectonderdeel bekijken of het nuttig is om te gebruiken.”

Comments are closed.